Bienvenidos 1 libro del alumno Gramática Bloque 2

Anuncio
Bloque II
Para funcionar
1
Los Números: Ordinales - Rangtelwoorden
1º Primero
11º Undécimo
21º Vigésimo primero
70º Septuagésimo
2º Segundo
12º Duodécimo
22º Vigésimo segundo
71º Septuagésimo primero
3º Tercero
13º Decimotercero
30º Trigésimo
80º Octogésimo
4º Cuarto
14º Decimocuarto
31º Trigésimo primero
81º Octogésimo primero
5º Quinto
15º Decimoquinto
40º Cuadragésimo
90º Nonagésimo
6º Sexto
16º Decimosexto
41º Cuadragésimo primero
91º Nonagésimo primero
7º Séptimo
17º Decimoséptimo
50º Quincuagésimo
100º Centésimo
8º Octavo
18º Decimoctavo
51º Quincuagésimo primero
101º
9º Noveno
19º Decimonoveno
60º Sexagésimo
10º Décimo
20º Vigésimo
61º Sexagésimo primero
Centésimo primero
1.000º Milésimo
1.000.000º Millonésimo
Opmerkingen
Het rangtelwoord wordt weergegeven met het getal en een “º” rechtsboven als het mannelijk is, en
een “ª” rechtsboven als het vrouwelijk is:
1º piso
2ª planta
Het rangtelwoord richt zich in getal en geslacht naar het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort
en wordt altijd met het bepaald lidwoord gebruikt:
Enkelvoud El + rangtelwoord -o
La + rangtelwoord -a
Meervoud
Los + rangtelwoord -os
Las + rangtelwoord -as
+
+
mannelijk zelfst. nw. enkelvoud
vrouwelijk zelfst. nw. enkelvoud
+
+
mannelijk zelfst. nw. meervoud
vrouwelijk zelfst. nw. meervoud
La habitación está en el séptimo piso.
Ésta es la segunda mesa que compro esta semana.
Het rangtelwoord staat normaal gesproken vóór het zelfstandig naamwoord, maar het kan er ook
achter worden geplaatst zonder dat daardoor de betekenis wijzigt. Let op primero en tercero, die in
primer en tercer veranderen wanneer ze vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord staan:
El punto segundo = El segundo punto
El punto tercero = El tercer punto
Práctica
Schrijf de onderstaande rangtelwoorden voluit. Let erop of je de mannelijke of vrouwelijke vorm gebruikt:
(1 º/ª)
76
curso.
setenta y seis
(20º/ª)
letra.
(100 º/ª)
vez.
G ramática
2
Tú/Usted y Vos — Tú/Usted en Vos
De persoonlijke voornaamwoorden tú/usted (enkelvoud), vosotros/ustedes (meervoud) worden
gebruikt in informele (tú) en formele (usted) communicatieve situaties, zowel in Spanje als in LatijnsAmerika. Buiten Spanje wordt echter meer gebruik gemaakt van usted. Daarnaast is het gebruik van
vos in enkele Latijns-Amerikaanse landen (waaronder Argentinië en Uruguay) gebruikelijk.
Opmerkingen
De communicatieve situaties waarin deze voornaamwoorden veelvuldig voorkomen, zijn de begroetingen en het voorstellen.
Begroetingen
Formele situatie:
“¿Cómo está usted Sr. Pérez?”
Informele situatie:
“¿Cómo estás (tú) Pedro?”
Formele situatie:
“Perdone, ¿es usted la Sra. González?”
“Sí, soy yo. Encantada. Y usted, ¿cómo se llama?”
Informele situatie:
“Perdona, tú eres María, ¿verdad?”
“No, soy Belén. Y tú, ¿quién eres?”
Voorstellen
De verschillen in omgangsvorm zijn ook zichtbaar in de gebruikte werkwoordsvormen. Ook al komen die
van de pers. voornaamwoorden usted en ustedes overeen met die van de pers. voornaamwoorden in de
derde persoon él/ella en ellos/ellas, moeten we beseffen dat ze altijd naar de tweede persoon verwijzen.
Verbo
Tú
Usted
Vos
Ser
Estar
Llamarse
Hablar
Comer
Vivir
Eres
Estás
Te llamas
Hablas
Comes
Vives
Es
Está
Se llama
Habla
Come
Vive
Sos
Estás
Te llamás
Hablás
Comés
Vivís
Práctica
Vul in de onderstaande zinnen de juiste vorm in van het werkwoord dat tussen haakjes staat:
1. ¿Cómo te
(llamarse/tú)?
2. Perdone, ¿
habitaciones libres (tener/usted)?
3. Hola Pedro, ¿Cómo
4. Perdona, ¿
5. Señora ¿
(estar/tú)?
español? (hablar/tú)
(tener/usted) pasaporte o DNI (Documento Nacional de Identidad)?
setenta y siete
77
Bloque
II
3
El Adjetivo Calificativo y su concordancia
— Het bijvoeglijk naamwoord
Het bijvoeglijk naamwoord richt zich in geslacht en getal naar het zelfstandig naamwoord waar het
bij staat. Onthoud dat geslacht en getal worden aangegeven door het lidwoord:
Lidwoord
El
La
Los
Las
Zelfst. nw.
trayecto
camarera
planos
maletas
Werkwoord
(es)
(es)
(son)
(son)
Bijv. nw.
corto
simpática
informativos
pequeñas
Geslacht
Het geslacht van het bijvoeglijk naamwoord volgt het patroon van het zelfstandig naamwoord. Het mannelijke enkelvoud eindigt normaal gesproken op -o, het vrouwelijke enkelvoud op -a.
Maar er zijn ook bijvoeglijke naamwoorden die op -e of een -medeklinker eindigen; en nationaliteitsaanduidingen op -a of -i. Deze kunnen bij zowel mannelijke als vrouwelijke zelfstandige naamwoorden staan.
ENKELVOUD
[
Mannelijk
(El trayecto)
caro
largo
barato
][
Vrouwelijk
(La maleta)
pequeña
cómoda
segura
][
Mannelijk en vrouwelijk
(El camarero/La camarera)
eficiente
ágil
belga
]
Getal
Om het meervoud te vormen wordt een -s toegevoegd aan bijvoeglijke naamwoorden op een klinker, en
wordt -es toegevoegd aan bijvoeglijke naamwoorden op een medeklinker:
MEERVOUD
[
Mannelijk
(Los trayectos)
caros
largos
baratos
][
Vrouwelijk
(Las maletas)
pequeñas
cómodas
seguras
][
Práctica
Vul in deze zinnen het juiste bijvoeglijk naamwoord in:
Ej.: Los pantalones son largos.
1. Las peras son
. 2. La habitación es
3. El billete de avión es
. 4. Esa chica es
78
setenta y ocho
Mannelijk en vrouwelijk
(Los camareros/Las camareras)
eficientes
dóciles
grandes
Caro
Verdes
]
Española
Confortable
.
. 5. Mi padre es
Inteligente
Largos
.
G ramática
4
Los Comparativos — Vergelijkingen
Vergelijkingen kunnen een vergrotende/verkleinende trap (‘meer/minder dan’) en gelijkheid (‘even ... als’)
uitdrukken. Er zijn regelmatige en onregelmatige vergelijkende bijvoeglijke naamwoorden:
Regelmatige vormen
Onregelmatige vormen
Vergrotende trap
Más
+ bijv. nw. + que
Madrid es más grande que Toledo.
Bueno,-a,-os,-as
mejor, mejores + que
Grande, -es
mayor, mayores + que
El tenis es mejor que el fútbol.
El trayecto a Moscú es mayor que a Francia.
Verkleinende trap
Menos + bijv. nw. + que
El tren es menos rápido que el avión.
Malo,-a,-os,-as
peor, peores + que
Pequeño,-a,-os,-as
menor, menores + que
Este hotel es peor que ese.
Mi hermano es menor que yo.
Tan
+ bijv. nw. + como
La paella es tan sabrosa como el gazpacho.
.............................................................................
Gelijkheid
Opmerkingen
Vergelijkende vormen die regelmatig zijn, richten zich in geslacht en getal naar het zelfstandig
naamwoord dat vergeleken wordt (dit staat altijd vooraan):
Este verano es más divertido que el anterior.
Estas navidades son más aburridas que las anteriores.
De onregelmatige vergelijkende vormen worden ook regelmatig gebruikt:
Mi casa es más pequeña que la tuya.
Zelfstandige naamwoorden
Er zijn ook vergelijkingen van de vergrotende/verkleinende trap en gelijkheid met zelfstandige
naamwoorden. Deze zijn allemaal regelmatig.
Vergelijkingen
Vergrotende trap
ww. + más + zelfst. nw. + que
Nuria sabe más idiomas que Alejandro.
Verkleinende trap
ww. + menos + zelfst. nw. + que
Mi hermano tiene menos suerte que yo.
ww. + tanto, -a, -os, -as + zelfst. nw. + como
Este ordenador tiene tanta memoria como el mío.
Gelijkheid
Opmerkingen
Bij deze constructies richt alleen het woord “tanto” zich in geslacht en getal naar het zelfstandig naamwoord
dat in de vergelijking voorkomt:
Nadie tiene tanto dinero como él ni tanta avaricia.
setenta y nueve
79
Bloque
II
4
Los Comparativos — Vergelijkingen
(Vervolg)
Bijwoorden
Er bestaan vergelijkingen van de vergrotende/verkleinende trap en van gelijkheid.
Onregelmatige vormen
Regelmatige vormen
Vergrotende trap ww. + más que
El viaje a Argentina dura más que a Nueva York.
Bien
mejor que
Verkleinende trap ww. + menos que
Este vino cuesta menos que el cava.
Mal
peor que
La suite cuesta tanto como la habitación doble.
............................
Gelijkheid
ww. + tanto como
Práctica
Schrijf drie zinnen over Iván en Ana waarin zij met elkaar worden vergeleken.
Ana
Iván
Estudio 10 horas al dia
Mido 1.80 metros
Hablo inglés y alemán
5
Estudio 3 h. al día Ej.: 1. Ana es más estudiosa que Iván.
Mido 1.75 m.
2.
Hablo inglés
3.
.
.
Los Indefinidos — Onbepaalde woorden
Onbepaalde woorden zijn vormen die een onbestemde hoeveelheid aangeven. Ze kunnen optreden als
bijvoeglijke naamwoorden of als voornaamwoorden.
Bijvoeglijke naamwoorden
Onbepaalde woorden die bijvoeglijk worden gebruikt, staan bij het zelfstandig naamwoord en richten zich daar
in geslacht en getal naar. Ze verwijzen zowel naar personen als naar zaken.
Enkelvoud
Mannelijk
Vrouwelijk
Positief
Algún
Alguna
Meervoud
Mannelijk
Vrouwelijk
Algunos
Algunas
Negatief
Ningún
Ninguna
Ningunos
Ningunas
Voorbeeld
Sara lee alguna revista de literatura
Carlos compra algunos libros de química.
Opmerkingen
Algún en ningún verliezen de -o vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord in het enkelvoud en
krijgen dan een geschreven accent:
Ana compra algún libro de vez en cuando.
Iván no escucha ningún anuncio en la radio.
80
ochenta
G ramática
5
Onbepaalde woorden
(Vervolg)
Voornaamwoorden
Onbepaalde voornaamwoorden vervangen het zelfstandig naamwoord. Er zijn veranderlijke en onveranderlijke
onbepaalde voornaamwoorden. Deze kunnen verwijzen naar personen of zaken:
Onveranderlijk
Veranderlijk
Positief
Negatief
Mannelijk
Enkelvoud
Vrouwelijk
Alguno
Alguna
Ninguno
Ninguna
Zaken
Mannelijk
Algunos
Algunas
Ningunos
Ningunas
Personen Alguien
Meervoud Vrouwelijk
Positief
Negatief
Voorbeeld
Algo
Nada
¿Tienes un chicle o algo de comer?
No, no tengo nada.
Nadie
¿Conoces a alguien de esta zona?
No, no conozco a nadie.
Opmerkingen
De veranderlijke onbepaalde voornaamwoorden worden net zo gebruikt als bijvoeglijke naamwoorden. Ze richten zich in geslacht en getal naar het zelfstandig naamwoord dat ze vervangen; ze verliezen echter niet de -o als ze
in het mannelijk enkelvoud staan.
¿Compras normalmente el periódico?
No, nunca compro ninguno (ningún periódico).
Todo = Nada
De onveranderlijke onbepaalde voornaamwoorden worden gebruikt voor zowel mannelijk (enkelvoud
en meervoud) als voor vrouwelijk (enkelvoud en meervoud).
Het Spaans kent de dubbele ontkenning. Wanneer de onbepaalde voornaamwoorden ningún(o),-a, -s, -as, nada
en nadie achter het werkwoord staan, wordt het werkwoord voorafgegaan door het ontkennende bijwoord no.
onderwerp + no + werkwoord + onbepaald voornaamwoord + (zelfstandig naamwoord)
Ningún libro le interesa a Carmen.
Nada le gusta a David.
Nadie conoce su apellido.
A Carmen no le interesa ningún libro.
A David no le gusta nada.
Su apellido no lo conoce nadie.
Práctica
Vul in de onderstaande zinnen het juiste onbepaald
voornaamwoord in:
Ej.: ¿Conoces algún restaurante bueno en Madrid?
algún
1. Lo siento, no hay
nadie
2. ¿Tienen
No, gracias, no tenemos
3. ¿
No, no la conoce
alguien
mesa libre.
ninguna
problema?
.
ninguno
sabe cómo se llama aquella chica?
.
ochenta y uno
81
Bloque
II
6
Hay/Está-Están
De werkwoordsvormen hay (infinitief = haber) en está/están (infinitief = estar) worden doorgaans
gebruikt om te spreken over het bestaan van personen en zaken en over de plaats waar deze zich bevinden.
Hay
Está/Están
Is de onpersoonlijke vorm van de tegenwoordige
tijd van het werkwoord haber.
Wordt gebruikt om te spreken over het bestaan
van personen of zaken.
Zijn de derde persoon enkelvoud/meervoud van
het werkwoord estar.
Worden gebruikt om aan te geven waar
personen of zaken zich bevinden.
¿Cuántos cuadros hay (existen) en el museo?
¿Dónde (en qué lugar) está Carlos?
Hay 2000 cuadros.
Heeft dezelfde vorm voor enkel- en meervoud.
Wordt in het enkelvoud gevolgd door het
onbepaald lidwoord un/una. In het meervoud
staat het vaak zonder lidwoord.
Carlos está en el aeropuerto.
Está wordt gebruikt voor het enkelvoud en
están voor het meervoud.
In het enkelvoud wordt está gevolgd door het
bepaald lidwoord el/la. In het meervoud wordt
están gevolgd door los/las.
HAY
[
Un/una + mnl./vr. zelfst. nw. enkelvoud
+ mnl./vr. zelfst. nw. meervoud
] [
Perdone, ¿sabe si hay un cajero automático
por aquí cerca?
Sí, hay cajeros automáticos delante de la
estación de tren.
Práctica
Maak deze zinnen af.
Ej.: Al lado de mi casa hay un supermercado nuevo.
1. En mi suite sólo
dos sillas y una cama.
2. ¿Dónde
Creo que
la carta de Ana?
encima de la mesa de mi suite.
3. ¿Y Tomás?
Tomás
en la habitación de arriba.
4. ¿
naranjas para hacer zumo?
82
ochenta y dos
ESTÁ + el/la + mnl./vr. zelfst. nw. enkelvoud
ESTÁN + los/las + mnl./vr. zelfst. nw. meervoud
Perdone, ¿dónde está la oficina de correos?
¿Dónde están los salones de los banquetes?
]
G ramática
7
Perífrasis Verbales: Ir a/Deber/Tener
De perífrasis verbales zijn constructies waarin vervoegde werkwoorden (tener, haber, deber, etc.), met
of zonder verbinding (que, a), worden gecombineerd met een ander werkwoord in de infinitief, het
gerundio of het voltooid deelwoord.
vervoegd werkwoord + (que/a) + infinitief/gerundio/voltooid deelwoord
Het vervoegde werkwoord duidt alleen een communicatieve functie aan (verplichting, raad, etc.), terwijl het
werkwoord in de infinitief, gerundio of voltooid deelwoord de betekenis geeft (cantar, comer, vivir, etc.).
Tengo que dejar mi habitación a las 12.
Mi obligación es dejar la habitación a las 12.
Soorten werkwoordsconstructies
Er bestaan verschillende constructies naargelang de structuur van de perífrasis en de betekenis. Wij concentreren ons op twee groepen: met werkwoorden in de infinitief en met werkwoorden in het gerundio.
7.1. Met infinitief
De werkwoorden in de infinitief eindigen op
-AR
-ER
-IR
Structuur
Drukt uit:
Voorbeeld
Tener que
Hay que
Deber
Verplichting.
Noodzaak iets te doen.
Raad, tip.
Tengo que ir a trabajar.
Hay que llegar puntual.
Debes hablar con el director.
Begin van een handeling.
Voy a escribir una postal a Iván.
Voy a ir al cine el sábado.
Ir a
Infinitief
Plannen, voornemens iets in de toekomst te doen.
Plannen, voornemens iets in de toekomst te doen.
Quiero vender mi moto.
Pensar
Toekomstige bedoelingen.
Pienso ir a París el sábado.
Poder
Mogelijkheid.
Toestemming.
Vaardigheid.
Puedo utilizar Internet todo el día.
¿Puedo usar tu cámara?
Pablo puede hablar siete idiomas.
Querer
7.2. Met Gerundio
Práctica
De gerundio-vorm van het werwkoord eindigt op -ANDO, -IENDO
(cant-ando, com-iendo, viv-iendo)
Er zijn enkele onregelmatige werkwoorden: leyendo, durmiendo…
Structuur
Drukt uit:
Estar + Gerundio Handeling die op het moment
van spreken aan de gang is.
Handeling die op een moment
dichtbij het heden aan de gang
is.
Ejemplo
¿Qué haces, Carlos?
Ahora mismo estoy leyendo el
catálogo de la agencia.
Esta semana estoy visitando
varios monumentos españoles.
Vul de juiste perífrasis in.
Ej.: Tengo que hacer (yo/hacer) las reservas
para nuestro vuelo.
1. Ahora mismo
(Iván/preparar) la excursión a Toledo.
2. ¿Qué
(tú/hacer)
este fin de semana?
La verdad es que
(yo/visitar) el Museo del Prado.
ochenta y tres
83
Bloque
II
8
Verbos con Pronombres Reflexivos — Werkwoorden met wederkerende voornaamwoorden
Sommige werkwoorden worden gevormd met de wederkerende voornaamwoorden:
Wederkerend vnw.
(Yo)
(Tú)
(Usted)
(Él/Ella)
(Nosotros)
(Vosotros)
(Ustedes)
(Ellos)
ww.: levantarse
Sentarse
Quedarse
levanto
levantas
levanta
levanta
levantamos
levantáis
levantan
levantan
Me siento
Te sientas
Se sienta
Se sienta
Nos sentamos
Os sentáis
Se sientan
Se sientan
Me quedo
Te quedas
Se queda
Se queda
Nos quedamos
Os quedáis
Se quedan
Se quedan
Me
Te
Se
Se
Nos
Os
Se
Se
Opmerkingen
Práctica
Vul bij ieder plaatje het juiste werkwoord in:
Ej.: María se ducha.
Mi perro
María
en el río.
Mi madre
pronto.
9
In deze groep werkwoorden met voornaamwoord zitten de WEDERKERENDE
WERKWOORDEN omdat zij aangeven dat
de handeling wordt uitgevoerd op iemand zelf.
Onderwerp en lijdend voorwerp zijn dezelfde:
Ducharse, lavarse.
Bañarse
Acostarse
Peinarse
muy deprisa.
Let goed op, want niet al deze werkwoorden
zijn ook wederkerend in het Nederlands:
Llamarse, casarse.
Usos del “Se” — Gebruik van “Se”
Práctica
Vul in onderstaande zinnen het juiste
werkwoord in:
Vaak komen we zinnen tegen waarin het onderwerp niet
duidelijk wordt aangegeven.
Vorming: Se + werkwoord 3e persoon tegenwoordige tijd.
Ej.: Últimamente se habla mucho del turismo
ecológico.
Se habla español.
1. En el trabajo
(comentar)
que está aumentando el paro.
Se sirve el desayuno de 7 a 10 de la mañana.
2. En invierno
Caribe.
3.
(viajar) al
(servir) comidas
caseras.
84
ochenta y cuatro
Se sirven comidas y cenas en la habitación.
G ramática
10
Oraciones Interrogativas — Vraagzinnen
Een vraag wordt in het Spaans aangegeven door de vraagtekens “¿?” aan het begin en einde van de zin
en door de intonatie.
Bijvoorbeeld:
¿Qué hora es?
Over het algemeen worden vraagzinnen in twee groepen ingedeeld:
10.1. Zinnen zonder vragend voornaamwoord:
Dit zijn zinnen waarop het antwoord van de toehoorder Ja of Nee luidt:
A: ¿(Tú) Vas a venir a Cuba conmigo?
B: No, lo siento, no tengo dinero/Sí, tengo muchas ganas.
De structuur is erg eenvoudig. Je hoeft alleen te letten op de intonatie.
¿(onderwerp) + werkwoord + voorwerp (lijdend/meewerkend/voorzetsel-)?
¿(Vosotros)
venís
al cine?
10.2. Zinnen met vragend voornaamwoord:
In deze zinnen worden de vragende voornaamwoorden gebruikt zoals Qué, Quién, Cuál, Cómo, Dónde,
Por qué, etc., die in een vraagzin altijd een geschreven accent krijgen:
¿Qué hotel te gusta...?
Aangezien aan het begin van de zin het vragend voornaamwoord wordt toegevoegd, wijzigt de zinsstructuur:
¿vragend voornaamwoord + werkwoord + (onderwerp) + (lijdend/meewerkend/voorzetsel-) voorwerp?
¿Cuándo
vienes
(tú)
a Cuba conmigo?
Onthoud dat deze vragende voornaamwoorden voorafgegaan kunnen worden door een voorzetsel:
¿A qué hora hay que dejar la habitación?
¿Con quién se va Victor a Cuba?
¿Desde dónde llamas?
Hieronder worden de meest voorkomende vragende voornaamwoorden schematisch weergegeven:
Vraagwoorden
Onveranderlijk QUÉ (zaak) + werkwoord/zelfstandig naamwoord
¿Qué hora es?
DÓNDE (plaats) + werkwoord
¿Dónde vives?
CUÁNDO (tijd) + werkwoord
¿Cuándo vienes a España?
CÓMO (wijze) + werkwoord
¿Cómo quieres la paella?
Veranderlijk
QUIÉN/QUIÉNES (persoon) + werkwoord
¿Quién es esa chica?
CUÁL/CUÁLES + werkwoord
¿Cuál te gusta más?
CUÁNTO, -A, -OS, -AS (hoeveelheid) + ww./zelfst. nw.
¿Cuánto vale la suite?
Práctica
Maak vraagzinnen die passen bij deze
antwoorden:
Ej.: Vivo en Barcelona ¿Dónde vives?
Soy azafata:
Por que me gusta volar:
Viajo en avión:
ochenta y cinco
85
Bloque
II
11
Oraciones Exclamativas — Uitroepen
Een uitroep wordt in het Spaans aangegeven door de uitroeptekens “¡!” aan het begin en einde van de
zin en door de intonatie (omhoog en omlaag):
Bijvoorbeeld:
¡Qué
maravilla!
We kunnen dit soort zinnen in drie groepen indelen:
Functie
Structuur
Voorbeeld
Uitroep over hoe
iets is / eruit ziet
¡Qué +bijv. nw. + (ww.) + (onderwerp)!
¡Qué bonitas son estas flores! o
¡Qué bonitas!
Uitroep over de
wijze waarop iets
gedaan wordt
¡Qué + bijwoord + (ww.) + (onderwerp)!
¡Qué bien atiende esta recepcionista
a los clientes!
¡Cómo vives!
¡Cómo + werkwoord + (onderwerp)!
¡Cuánto/a/os/as + zelfst. nw. + werkwoord +
(onderwerp)!
Uitroep over de
hoeveelheid van iets
¡Qué + zelfstandig naamwoord + (werkwoord)!
¡Cómo + werkwoord!
¡Cuánto dinero tienes!
¡Qué calor! o ¡Qué calor hace!
¡Cómo estudia!
Opmerkingen
Uitroepen dienen om iets of iemand positief of negatief te beoordelen, of om verrassing, bewondering, afkeur
of ergernis te uiten.
Práctica
Zet onderstaande beweringen om in uitroepen:
Ej.: Tengo mucha sed.¡Qué sed tengo!
1. Ese chico trabaja mucho
. (Trabajador)
2. Este hotel tiene los últimos adelantos en seguridad
. (Moderno)
3. Los clientes han dejado todo tirado por el suelo de la suite
. (Desorden)
4. La recepcionista informa con detalle de todos los servicios del hotel
5. El viaje a Sevilla lo hicimos en 3 horas
86
ochenta y seis
. (Amabilidad)
. (Rápido)
G ramática
12
Preposiciones — Voorzetsels
a
Drukt het volgende uit:
Tijd:
Doel/doelstelling/meewerkend voorwerp:
Termino las clases a las dos y media.
Voy a comprar algunos recuerdos de la ciudad.
Voy a comprar una maleta a Alejandro.
Lijdend voorwerp als dit een persoon is:
Veo a menudo a tu jefe en el Hotel Palau.
El hotel está a 20 Km. del aeropuerto.
de
desde
Drukt het volgende uit:
Bezit:
Este periódico es de un cliente.
Drukt het volgende uit:
Oorsprong in tijd en ruimte:
Veo la plaza desde el balcón de mi habitación.
Trabajo en esta agencia desde 1989.
Materiaal:
La alfombra es de lana.
Afstand:
Moment van de dag (bij tijdsvermelding):
Siempre me despierta a las cinco de
la mañana.
Wijze:
Mi jefe está de buen humor.
de/desde
a/hasta
Drukt het volgende uit:
Afbakening van een tijdvak:
Afbakening van ruimte of lengte:
Trabajo desde las nueve, hasta las dos.
El tren va de (desde) Madrid a (hasta) Toledo.
Trabajo de nueve a dos.
en
Drukt het volgende uit:
Vervoermiddelen:
Tijd:
Siempre voy a Madrid en avión o en tren.
Voy a Santander en Marzo.
Práctica
Vul het correcte voorzetsel in:
Ej.: Vamos a viajar en tren desde Andalucía.
1. Cuando estoy enfermo siempre me quedo
3. Iván es piloto
1995.
casa. 2. Esta cortina
4. El gimnasio del hotel está abierto
algodón es muy bonita.
cuatro
seis.
ochenta y siete
87
Descargar