Bienvenidos 1 libro del alumno Gramática Bloque 3

Anuncio
Bloque III
Para funcionar
1
Introducción a la Ortografía: El acento y la tilde
— Spelling: klemtoon en geschreven accent
Om te weten hoe een klank in het Spaans wordt uitgesproken, moet je letten op de lettergrepen waaruit het
woord bestaat Dat wil zeggen, elk van de stoten van onze stem waarmee we de woorden uitspreken:
Voorbeeld: me-sa heeft twee lettergrepen en ca-be-za heeft er drie.
Klemtoon
De meeste woorden (zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, bijwoorden...) hebben één
lettergreep die met meer intensiteit wordt uitgesproken dan de andere. Deze lettergreep, waarop de klemtoon valt, noemen we de sílaba tónica (beklemtoonde lettergreep) de andere zijn átonas (onbeklemtoond).
Voorbeeld: Ca-mi-no
Voorbeelden
Woorden
Agudas: de klemtoon ligt op de laatste lettergreep van het woord.
Re-loj, ca-mi-ón, ho-tel
Llanas: de klemtoon ligt op de voorlaatste lettergreep van het woord.
Re-lo-je-ro, bar-co
Esdrújulas: de klemtoon ligt op de voornalaatste lettergreep van het woord.
Gé-ne-ro, ár-bo-les
Geschreven accent
In het Spaans wordt, naast de klemtoon, af en toe een geschreven accent gezet op de beklemtoonde
lettergreep. Dit accent heet in het Spaans tilde en maakt het eenvoudiger de beklemtoonde lettergreep te
herkennen. Op die manier wordt de intonatie bij het (voor)lezen vergemakkelijkt.
Er bestaat een aantal basisregels voor de plaatsing van een geschreven accent:
Voorbeelden
Woorden
Agudas: woorden die op “n”, “s” of een klinker eindigen, krijgen een accent.
Bal-cón, ca-fé, a-vi-ón
Llanas: woorden die op een medeklinker behalve “n” of “s” eindigen,
krijgen een accent.
Ár-bol, mó-vil, fá-cil
Esdrújulas: alle woorden krijgen een accent.
Gé-ne-ro, pá-ja-ros
Práctica
Geef aan op welke lettergreep de klemtoon valt. Voeg waar nodig een geschreven accent toe.
Acento
Avion
Telefono
Unidad
Hotel
Marques
Veintitres
Excursion
Significar
Examen
120
ciento veinte
G ramática
2
El Superlativo — Overtreffende trap
De overtreffende trap geeft de maximale graad van een bepaalde kwaliteit van iets of iemand aan.
Voorbeeld: El tren de alta velocidad es un medio de transporte rápido, pero
el avión es el medio de transporte más rápido.
Voor de overtreffende trap wordt de volgende structuur gebruikt:
Vergrotend
el/la/los/las + más + bijv. nw. +
de + zelfst. nw.
Esta habitación es la más bonita de todas.
que + zin
Este viaje el más bonito que he hecho.
Verkleinend
el/la/los/las + menos + bijv. nw. +
de + zelfst. nw.
Este avión es el menos cómodo de Iberia.
que + zin
El Hotel Sol es el menos cómodo que he visto.
Práctica
Vul in onderstaande zinnen de juiste overtreffende trap in:
Ej.: Las pirámides de Egipto son los monumentos más perfectos (perfectos) del mundo.
1. Es la ciudad
2. Es el libro
(bonita) que he conocido.
(interesante) que he leído.
3. Este pasajero es
(agradable) de todo el avión.
De overtreffende trap kan ook gevormd worden door aan de stam van het bijvoeglijk naamwoord of bijwoord de uitgang -ísim-o/as/os/as toe te voegen:
Opmerkingen
Het bijvoeglijk naamwoord/bijwoord richt zich in geslacht en getal naar
het zelfstandig naamwoord waar het naar verwijst.
Carlos es altísimo
María es guapísima.
Een andere mogelijkheid is het bijwoord "muy" voor het bijvoeglijk naamwoord of bijwoord te zetten.
Opmerkingen
Sommige vormen zijn
onregelmatig:
Antiguo > Antiquísimo
Pobre > Paupérrimo
Bueno > El mejor
Malo > El peor
Dit bijwoord heeft één enkele vorm die zowel voor mannelijk als vrouwelijk,
en zowel voor enkelvoud als meervoud wordt gebruikt.
Carlos es muy alto.
María es muy guapa.
Voorbeelden:
bueno
buenisimo
hoy hace un día buenísimo/ hoy hace un día muy bueno.
malo
malísimo
hoy hace un día malísimo/ hoy hace un día muy malo.
ciento veintiuno
121
Bloque III
3
Otros usos del Presente de Indicativo —
Andere gebruiken van de Presente
De Presente (tegenwoordige tijd) dient niet alleen om te verwijzen naar een tegenwoordig moment dat
samenvalt met het moment van spreken; er zijn andere gebruiken van de Presente die we moeten kennen:
Andere gebruiken van de Presente
Gebruiken die verwijzen
naar het verleden
Gebruiken die verwijzen
naar het heden
Gebruiken die verwijzen
naar de toekomst
Spreken over universele waarheden:
La tierra es redonda.
Spreken over verleden tijden, namen
of historische gebeurtenissen.
Verwijzen naar gebeurtenissen in de
(zeer) nabije toekomst.
Dingen vragen, bevelen en instructies
geven. We gebruiken dan de
constructies:
Deze gebruiken komen voor in
combinatie met tijdsbepalingen:
jaartallen, hace…, etc.
Colón descubre América en 1492.
Deze gebruiken komen voor in
combinatie met tijdsbepalingen die
toekomst aanduiden zoals:
mañana, la semana que viene, ¿a
qué hora…?, etc.
¿A qué hora vienes a mi casa?
La semana que viene voy de viaje.
¿PODER + infinitief?
¿Te/le/os IMPORTA + infinitief?
¿Puedo entrar en clase?
¿Te importa cerrar la ventana?
Spreken over gewoontes en de
frequentie waarmee we iets doen.
Bijpassende tijdsbepalingen zijn:
Siempre
Cada día/lunes/mes/año
A menudo/normalmente/con frecuencia
Cada dos/tres…dias/meses.
Alguna vez/de vez en cuando
Casi nunca/apenas
Nunca/jamás
Ej.: Voy a Barcelona cada mes.
Práctica
Vul in onderstaande zinnen de juiste vorm in van het werkwoord dat tussen haakjes staat:
Ej.: A mi me encanta (encantar) ir de compras a los grandes almacenes porque siempre tienen (tener) la ropa más barata.
1. Normalmente María
2. El cielo
(comprar) el periódico una vez a la semana.
(ser) azul.
3. Federico García Lorca
4. La semana que viene nosotros
122
ciento veintidós
(nacer) en 1898 en Granada.
(tener) un curso de “Español de turismo”.
G ramática
4
Pretérito Perfecto — De Perfecto
Vorm
De Perfecto (voltooide tijd) wordt gevormd door een vervoegde vorm van het werkwoord haber te
combineren met het participio pasado (voltooid deelwoord).
onderwerp
Yo
+ HABER
he
Het werkwoord haber staat in de Presente:
Yo
he
Tú
has
Usted
ha
Él/ella
ha
Nosotros/as
hemos
Vosotros/as
habéis
Ustedes
han
Ellos/as
han
+ participio pasado
comido
Om het participio pasado te vormen, haal je de
uitgang van het werkwoord (-ar, -er of -ir) af en
vervang je deze door de vorm -ADO of -IDO.
CANT -AR > -ADO = Cantado
COM -ER >
= Comido
-IDO
VIV -IR >
= Vivido
Voorbeeld:
Nosotros hemos cantado en la boda de María.
Él ha comido tostadas para desayunar.
Opmerkingen
Het participio pasado kan onregelmatig zijn.
Ver > Visto
Escribir > Escrito
Romper > Roto
Volver > Vuelto
Decir > Dicho
Hacer > Hecho
Gebruik
De Perfecto wordt gebruikt om over een handeling in het verleden te spreken
waarvan het resultaat op het moment van spreken nog van belang is.
Yo he tomado un café esta mañana
Presente
Pasado
Tijdsaanduidingen geven aan op welk moment een handeling plaatsvindt:
Tijdsaanduiding Hoy
Esta mañana
Hace un rato
tarde
cinco minutos
noche
semana
De Perfecto wordt gebruikt om te vragen/informeren naar persoonlijke
ervaringen, met aanduidingen als ya, todavía no, alguna vez, nunca.
¿Has estado alguna vez en Australia?
Yo nunca he bebido alcohol.
Práctica
Vul de Perfecto in van het werkwoord dat tussen haakjes staat.
Ej.: Este verano hemos estado
(nosotros/estar) en Santander de
vacaciones.
1. Hoy
(ella/tener)
mucho trabajo en el restaurante.
2. Carlos, te
(él/llamar)
del almacén hace cinco minutos.
3. ¿
(tú/comprar)
ya el pan?
ciento veintitrés
123
Bloque III
5
Pretérito Indefinido — De Indefinido
De Pretérito indefinido (ook wel Simple genoemd) wordt veel gebruikt in het Spaans. In veel LatijnsAmerikaanse landen en in sommige regio’s in Spanje (Asturië, León, etc.) is het zelfs zo dat alleen deze vorm
van de verleden tijd wordt gebruikt; de Perfecto wordt daar niet gebruikt.
Spanje
Latijns-Amerika/sommige Spaanse regio’s
Ej.: Esta mañana he desayunado un café
Esta mañana desayuné un café con leche
Ook in deze tijd bestaan er regelmatige en onregelmatige vormen.
-AR
Trabaj-é
Trabaj-aste
Trabaj-ó
Trabaj-ó
Trabaj-amos
Trabaj-asteis
Trabaj-aron
Trabaj-aron
Yo
Tú
Usted
Él/ella
Nosotros/as
Vosotros/as
Ustedes
Ellos/ellas
-ER
Com-í
Com-iste
Com-ió
Com-ió
Com-imos
Com-isteis
Com-ieron
Com-ieron
-IR
Viv-í
Viv-iste
Viv-ió
Viv-ió
Viv-imos
Viv-isteis
Viv-ieron
Viv-ieron
Opmerkingen
LET OP DE SPELLING...
Om de Indefinido te vormen, gaan we uit van de infinitief. We
moeten de uitgangen -AR, -ER, -IR vervangen door de uitgangen
van de Indefinido.
Werkwoorden die eindigen op -gar.
Apagar: Apagué
Llegar: Llegué,
Jugar: Jugué
Trabaj-AR Trabaj-É, -ASTE, -Ó
Werkwoorden die eindigen op -car:
Sacar: Saqué
Aparcar: Aparqué
De werkwoorden op -AR behouden de klinker “A” in de meeste
persoonsvormen; de werkwoorden op -ER, -IR krijgen allebei een
“I”, en hebben verder dezelfde uitgangen.
Werkwoorden die eindigen op -zar:
Empezar: Empecé
Comenzar: Comencé
ONREGELMATIGE VORMEN:
De Indefinido van een paar van de meest voorkomende werkwoorden luidt:
Yo
Tú
Él/ella
Usted
Nosotros/as
Vosotros/as
Ustedes
Ellos/ellas
124
ESTAR
HACER
SER
PODER
IR
DECIR
Estuve
Estuviste
Estuvo
Estuvo
Estuvimos
Estuvisteis
Estuvieron
Estuvieron
Hice
Hiciste
Hizo
Hizo
Hicimos
Hicisteis
Hicieron
Hicieron
Fui
Fuiste
Fue
Fue
Fuimos
Fuisteis
Fueron
Fueron
Pude
Pudiste
Pudo
Pudo
Pudimos
Pudisteis
Pudieron
Pudieron
Fui
Fuiste
Fue
Fue
Fuimos
Fuisteis
Fueron
Fueron
Dije
Dijiste
Dijo
Dijo
Dijimos
Dijisteis
Dijeron
Dijeron
ciento veinticuatro
G ramática
5
Pretérito Indefinido — De Indefinido
(Vervolg)
Gebruik
De Indefinido wordt gebruikt om een beëindigde en afgesloten handeling aan te geven.
Ayer
desayuné
unas tostadas con mermelada.
VERLEDEN VERLEDEN
De Indefinido wordt ook gebruikt in biografieën om historische feiten op te sommen.
Cristóbal Colón descubrió América, vivió en ... y murió en ...
VERLEDEN
VERLEDEN VERLEDEN
Tijdsaanduidingen geven ons aan dat we de Indefinido moeten gebruiken.
Aanduiding
Ayer
La semana pasada
En 1979
Hace tres meses
Antes de ayer
El año pasado
La noche pasada
En 1980
En el 2002
Hace un año
Hace un Siglo
Práctica
Vul de juiste vormen van de Indefinido in.
Ej.: (Ayer/escribir/postales/a mi madre) Ayer escribí postales a mi madre.
1. (La semana pasada/(ellos)/ir/al cine/por la tarde)
2. (El lunes pasado/(tú)/estar/en el gimnasio/a las 9)
6
.
.
Pretérito Perfecto/Indefinido
Soms is het lastig een keuze te maken tussen de verschillende verleden tijden. De tijdsaanduidingen geven
aan welke tijd we moeten gebruiken. Hieronder laten we je enkele verschillen zien.
PRETÉRITO PERFECTO
PRETÉRITO INDEFINIDO
TIJDSAANDUIDINGEN
TIJDSAANDUIDINGEN
Hoy
A las 10
Hasta ahora
Últimamente
¿Alguna vez?
Todavía no, aún no
Esta mañana/tarde/noche
Este mes/año
Nunca, Siempre
¿Cuántas veces…?
Ayer
Anteayer
El otro día
Anoche
El mes/año pasado
La semana/tarde pasada
En + mes/año
¿Quién me ha llamado por
teléfono estos días?
Pues, el lunes te llamó Marta, el miércoles
te llamó Iván, y ayer te llamó Luis.
ciento veinticinco
125
Bloque III
6
Pretérito Perfecto/Indefinido
De spreker bevindt zich binnen de tijdseenheid die met
de Perfecto wordt aangegeven. (tijdvak = niet afgesloten)
(Vervolg)
De spreker bevindt zich buiten de tijdseenheid die met
de Indefinido wordt aangegeven. (tijdvak = afgesloten)
HANDELING IN HET VERLEDEN + VERLEDEN
HANDELING IN HET VERLEDEN+ HEDEN
Ayer fui a clase.
Esta mañana he ido a clase.
PERFECTO
INDEFINIDO
De handelingen die de Perfecto uitdrukt hebben een relatie met
het moment van spreken. De afstand met betrekking tot dit
heden wordt aangegeven door de tijdsaanduidingen.
Este verano he ido a la playa con mi familia.
Er bestaat een volledige scheiding tussen het moment van
spreken (= heden) en de handeling.
El verano pasado fui a la playa con mi familia.
Wanneer de tijdsaanduidingen ya, todavía, aún in de zin
staan, gebruiken we altijd de Perfecto.
Ya he visto la película de Almodóvar.
In vraagzinnen of mededelingen zonder tijd heeft het gebruik
van de Perfecto de voorkeur.
¿Has estado alguna vez en América?
Práctica
Vul in de onderstaande zinnen de juiste vorm van de Perfecto of Indefinido in:
Ej.: -Has estado (estar) tú alguna vez en los carnavales de Venecia.
- Pues, sí. El año pasado
(ir) con mi marido.
1. - ¿Sabes si él
(ir de compras) esta semana con María?
- Creo que
(ir de compras) ayer.
2. - ¿
(vosotros/hacer) el examen?
- Sí, lo
(hacer) el viernes por la mañana.
7
Imperativo Afirmativo — Gebiedende wijs
De gebiedende wijs (Imperativo) is een werkwoordswijs die zich (in het Spaans) kenmerkt door het verschil tussen de uitgangen die het werkwoord krijgt als het bevestigend en ontkennend wordt gebruikt.
María, bebe el zumo de naranja
María, no bebas el zumo de naranja.
Opmerkingen
Hier behandelen we de bevestigende Imperativo.
REGELMATIGE VORMEN
Tú
Usted
Él/ella
Nosotros/as
Vosotros/as
Ustedes
Ellos/ellas
126
-AR
Trabaj-a
Trabaj-e
Trabaj-e
Trabaj-emos
Trabaj-ad
Trabaj-en
Trabaj-en
-ER
Com-e
Com-a
Com-a
Com-amos
Com-ed
Com-an
Com-an
ciento veintiséis
-IR
Viv-e
Viv-a
Viv-a
Viv-amos
Viv-id
Viv-an
Viv-an
De 2e persoon enkelvoud (tú) is gelijk
aan de 3e persoon enkelvoud (él/ella) van
de Presente.
De 2e persoon meervoud (vosotros/as)
vorm je door de -R van de infinitief te
vervangen door een -D.
Trabaj -AR >Trabaj -AD
Bij de overige personen veranderen de
belangrijkste klinkers.
Werkwoorden op -AR: a>e
Werkwoorden op -ER/IR: e>a
G ramática
7
Imperativo Afirmativo
(Vervolg)
ONREGELMATIGE VORMEN:
Er bestaan twee soorten onregelmatigheden.
1) Dezelfde onregelmatigheden als in de Presente:
Tú
Usted
Él/ella
Nosotros/as
Vosotros/as
Ustedes
Ellos/ellas
CERRAR
Cierra
Cierre
Cierre
Cerremos
Cerrad
Cierren
Cierren
VOLVER
Vuelve
Vuelva
Vuelva
Volvamos
Volved
Vuelvan
Vuelvan
2) Volledig onregelmatige werkwoorden:
PEDIR
Pide
Pida
Pida
Pidamos
Pedid
Pidan
Pidan
HACER
Haz
Haga
Haga
Hagamos
Haced
Hagan
Hagan
IRSE
Vete
Váyase
Váyase
Vayamos
Idos
Váyanse
Váyanse
PONER
Pon
Ponga
Ponga
Pongamos
Poned
Pongan
Pongan
SALIR
Sal
Salga
Salga
Salgamos
Salid
Salgan
Salgan
Gebruik
De Imperativo wordt gebruikt om bevelen (met
“por favor”), instructies en tips te geven:
Carlos, mira a qué hora sale el tren para Madrid, por
favor.
Para ir a la oficina de turismo sigue todo recto hasta el
ayuntamiento, y luego tuerce a la izquierda.
LET OP...
IMPERATIVO + VOORNAAMWOORDEN
Het voornaamwoord komt achter de Imperativo, het
geheel wordt als één woord geschreven en krijgt een
geschreven accent: Déjame el libro
Imperativo + pronombres personales
Iemand iets vragen en toestemming verlenen:
P. Reflexivo (me,te,se,nos,os,se)
Levántate.
A: María, déjame las llaves del coche, por favor.
B: Sí, claro, cógelas.
P. Objeto Directo (lo,la,los,las)
Cómpralo
P. Reflexivo + P. Objeto Directo
Póntelo
Práctica
Vul in de onderstaande zinnen de juiste vorm van de Imperativo in.
1. A: ¿Me pongo el traje rojo para esta noche?
B: Sí, póntelo (poner).
2. A: ¿Puedo subir el volumen de la televisión?
B: Sí,
(subir).
3. Alejandro y Ana,
(dejar) de trabajar un momento, por favor.
ciento veintisiete
127
Bloque III
8
Verbos Ser/Estar — Ser/Estar
Het is soms heel moeilijk het verschil in gebruik van de werkwoorden ser en estar aan te geven. Hoewel
we veel uitzonderingen tegen zullen komen, geven we hieronder toch een paar basisregels:
ESTAR
SER
Het werkwoord ser wordt gebruikt:
Het werkwoord estar wordt gebruikt:
1) Om ons voor te stellen:
Hola, soy Ana.
1) Om plaats aan te geven:
El aeropuerto está en el centro de la ciudad.
2) Om te spreken over nationaliteit of herkomst:
(Ser + nationaliteit/Ser + de + stad/land)
¿De dónde eres? Soy española.
Soy de Santander.
2) Om veranderingen in toestand, waaronder veranderingen in de lichamelijke of geestelijke gesteldheid, aan te
geven:
Normalmente soy una persona feliz, pero hoy estoy
triste.
3) Om over het beroep te spreken:
Soy profesora de español.
4) Om voorwerpen te beschrijven, d.w.z. te spreken over
de kleur of het materiaal waarvan ze gemaakt zijn:
La chaqueta es negra.
El pantalón es de algodón.
5) Om het uiterlijk van een persoon te beschrijven en
over zijn/haar karakter te spreken:
Iván es un chico muy guapo e inteligente.
3) Om over situaties van voorbijgaande aard, en tijdelijke
of veranderlijke omstandigheden te spreken:
Carlos ahora mismo está de viaje.
4) Om over de datum te spreken:
Hoy estamos a martes, 13 de enero.
6) Om over bezit te spreken:
Ese coche es de Carmen.
7) Om de datum aan te geven:
Hoy es martes, 13 de enero.
Práctica
Vul in de onderstaande zinnen ser of estar in:
Ej.: A: ¿Dónde están las llaves del coche?
B: Creo que
encima de la mesa.
1. Eva y Carlos
unos chicos muy simpáticos.
2. El banco
delante de la escuela.
3. Roma no
en Grecia.
4. Hoy
24 de Agosto, mi cumpleaños, pero
5. Mi casa
6. ¿De quién
7. ¿Carlos
128
muy cerca del aeropuerto.
esa maleta? Creo que de Julia.
hoy muy contento porque ha aprobado el exámen.
ciento veintiocho
muy triste.
G ramática
9
Oraciones Condicionales —
Voorwaardelijke bijzinnen
Onthoud dat de Spaanse aanduiding voor voorwaardelijke bijzinnen (oraciones condicionales) verward kan
worden met die van de werkwoordstijd condicional (onvoltooid verleden toekomende tijd). Alleen bij de
oraciones condicionales is daadwerkelijk sprake van een voorwaarde; die is te herkennen aan het voegwoord si.
Er zijn dus twee delen: de ondergeschikte voorwaardelijke bijzin (si) en de hoofdzin. Deze twee worden
gescheiden door een komma (,).
Si tienes alguna duda
,
habla con la azafata.
VOORWAARDELIJKE BIJZIN
HOOFDZIN
Normaal gesproken staat de voorwaardelijke bijzin vooraan, maar hij kan ook ná de hoofdzin komen.
Habla con la azafata
,
HOOFDZIN
si tienes alguna duda.
VOORWAARDELIJKE BIJZIN
Deze zinnen hebben diverse niveaus afhankelijk van de werkwoordstijden die erin voorkomen, en kunnen
voorwaarden uitdrukken die liggen tussen ‘mogelijk’ en ‘zeer hypothetisch’. Wij zullen ons hier bezighouden
met de eenvoudigste voorwaardelijke bijzinnen (niveau I).
Voorwaardelijke bijzinnen I
Deze worden gekenmerkt door een werkwoord in de Presente in de ondergeschikte bijzin, en een werkwoord in de Presente of de Imperativo (gebiedende wijs) in de hoofdzin.
SI + PRESENTE, PRESENTE/IMPERATIVO
Si tengo dinero, voy a Roma.
Si puedes, reserva la habitación mañana.
Opmerkingen
De voorwaardelijke bijzinnen van het type I, d.w.z. met de hoofdzin in de Presente of Imperativo,
geven aan dat de vervulling van de voorwaarden in de context van het heden mogelijk is. De Imperativo
houdt bovendien een instructie, bevel of aanbod in.
Si tengo tiempo, voy al trabajo andando
Si tienes frío, ponte una chaqueta = instructie/bevel
]
(het is mogelijk in het heden)
Práctica
Vul in de onderstaande zinnen de juiste werkwoordsvormen in:
Ej.: Si necesitas (tu/necesitar) ayuda, llámame (tu/llamar).
1. Si
2.
3. Si
(nosotros/poder),
(tu/preguntar) en información, si
(ellos/pedir) postre,
(nosotros/salir) todas las noches a cenar.
(tu/tener) alguna duda.
(tu/avisar) al camarero.
ciento veintinueve
129
Bloque III
10
Por/Para
De voorzetsels para en por kunnen ook problemen opleveren. Ze zijn onveranderlijk en staan voor een zelfstandig naamwoord of voor een infinitief.
Ella se ducha por la mañana para estar más fresca.
Esa carta es para Juan.
Dit zijn een paar gebruiken:
PARA
POR
Wordt gebruikt om:
Wordt gebruikt om:
1) het doel waarmee we iets doen uit te drukken.
Voy a Madrid para estudiar español.
1) de reden waarom we iets doen uit te drukken:
Voy a Roma por trabajo.
HANDELING
DOEL
REDEN
HANDELING
2) te verwijzen naar degene voor wie iets bestemd is
(meewerkend voorwerp):
Este ramo de flores es para Carmen.
2) te spreken over de maker van iets (handelende
persoon):
La película está dirigida por Almodóvar.
3) te spreken over de richting die men moet nemen naar
een bepaalde plaats of over de bestemming:
¿Este tren va para Santander? (=hacia)
3) te spreken over een richting of een plaats die gepasseerd wordt (waar men langs/doorheen gaat):
¿Este tren pasa por Santander?
Santander
Santander
4) een tijdgrens aan te geven (deadline):
Necesito este trabajo para el lunes.
4) dagdelen aan te duiden:
Por la mañana trabajo mejor.
5) een mening te verkondigen:
Para mí, la película es muy interesante.
5) “in de plaats van” uit te drukken:
Habla por ti, no por nosotros.
6) het nut van iets uit te leggen:
El lavaplatos sirve para limpiar los platos.
Práctica
Vul in de onderstaande zinnen por of para in:
Ej.: Para ir a África no necesitas llevar paraguas.
1. Zapata luchó
la libertad de su país.
2. Mi hermano se lava el pelo
3. No vivo
estar más atractivo.
trabajar, sino
4. El Quijote fue escrito
130
ciento treinta
Cervantes.
disfrutar de la vida.
G ramática
11
Ya/Ya no/Todavía/Todavía no/Aún/Aún no
De bijwoorden ya, todavía en aún worden over het algemeen gebruikt in zinnen die staan in de Perfecto.
Iván ya ha comprado los billetes de avión para Marbella.
Let erop dat de betekenis van deze bijwoorden verandert naargelang ze bevestigend of ontkennend worden
gebruikt. Ze staan normaal gesproken vooraan in de zin. Ze worden als volgt gebruikt:
YA/YA NO
TODAVÍA/TODAVÍA NO
AÚN/AÚN NO
YA:
TODAVÍA:
AÚN:
Wordt gebruikt om te verwijzen
naar iets wat vóór het “nu” is
voorzien of aangekondigd.
Kan todavía vervangen.
A: ¿Dónde está María?
B: Aún está hablando por teléfono.
¿Y la chaqueta?
Wordt gebruikt om aan te geven tot
hoelang een eerdere handeling of
situatie voortduurt. We gebruiken
hierbij niet de Perfecto.
Ya la ha comprado Victor.
A: ¿Dónde está María?
B: Todavía está hablando por
teléfono.
YA NO:
TODAVÍA NO:
AÚN NO:
Wordt gebruikt om te spreken over
de onderbreking van iets. We
gebruiken niet de Perfecto, maar de
Presente.
Wordt gebruikt om aan te geven dat
iets wat voorzien of aangekondigd
was, niet heeft plaatsgevonden:
Kan todavía no vervangen, omdat
het dezelfde betekenis heeft:
Yo ya no juego al fútbol.
¿Y la chaqueta, ya la ha comprado
Victor?
¿Y la chaqueta, ya la ha comprado
Victor?
No, aún no la ha comprado.
No, todavía no la ha comprado.
Práctica
Vul in de onderstaande zinnen de bijwoorden ya/ya no, todavía/todavía no of aún/aún no in:
Ej.: Alejandra aún no ha comprado las entradas para el concierto. No sé cómo vamos a ir.
1. A: ¡Me he dejado las llaves en casa!
B: No,
1. Estoy harto de que María
3. A: ¿Vienes a tomar unas copas?
B: No, gracias,
4. Es la una de la mañana y
las he cogido yo.
viva en esta casa. ¡Quiero que se vaya!
bebo alcohol. Lo he dejado.
he terminado de estudiar para el examen. No me va a dar tiempo.
ciento treinta y uno
131
Descargar